De lintjesgate en Schoofs relatieve retorische skills

29 april 2025

Afgelopen weekend kleurde heel Nederland oranje voor de verjaardag van koning Willem-Alexander. Traditiegetrouw werden op de dag voor Koningsdag ook de lintjes uitgereikt aan mensen die een waardevolle bijdrage aan de samenleving hebben geleverd. Deze feestelijke ceremonie had dit jaar voor sommigen een wat bittere nasmaak. Marjolein Faber, minister van Asiel en Migratie, weigerde namelijk haar handtekening te zetten onder de koninklijke onderscheidingen voor vijf vrijwilligers die vluchtelingen hebben geholpen. Volgens Faber gerechtvaardigd: hun werk zou haaks staan op haar beleid. “Ik sta voor een streng asielbeleid, want ik wil de instroom drastisch verlagen en het aantal verblijfsvergunningen beperken”, zo verklaarde ze.


De ophef die volgde was groot. Want hoe legitiem is het om een politiek statement te maken over een koninklijk lintje, bij uitstek een symbolische waardering voor maatschappelijk engagement? Het kabinet probeerde de schade te beperken. Premier Schoof liet al snel weten dat hij wél zou tekenen voor de lintjes. Maar de Tweede Kamer nam daar geen genoegen mee. De vraag rees: wat zegt dit over het functioneren van Faber, over de eenheid in het kabinet, en vooral: over de rol van de minister-president hierin?


Het resulteerde in een debat dat snel verhit raakte. De premier kwam in eerste instantie niet opdagen voor het debat, maar werd uiteindelijk door de Kamer gesommeerd om zich alsnog te verantwoorden. De oppositie was scherp: van harde kritiek op Fabers optreden tot de sneer van Timmermans dat zij “de grootste prutser is die ooit in vak K heeft gezeten”. Reden genoeg voor ons bij Taalstrategie om de taal van dit debat onder de loep te nemen. Want in de formuleringen van premier Schoof, in zijn gehakkel, in zijn afwegingen en ontwijkingen, tekent zich een retorisch profiel af van een premier die niet het debat aanstuurt, maar het probeert te neutraliseren. We nemen je graag mee in een analyse van hoe dat precies klinkt en waarom het schuurt.


Aanwezigheid als standpunt

Het moment waarop Volt-Kamerlid Marieke Koekkoek aan de premier vraagt waarom hij nog vertrouwen heeft in Faber, is veelzeggend. Schoof begint met de woorden: “Die vraag vind ik relatief eenvoudig te beantwoorden.” Wat volgt is gehakkel zonder échte inhoudelijke uitleg. Schoof probeert weg te komen met een logische omkering: “Als ik geen vertrouwen had in minister Faber, zou ik hier nu niet staan. Dan zou mevrouw Faber hier overigens niet zitten. Er is dus gewoon vertrouwen.”


Op het eerste gezicht lijkt dat logisch: als je iemand niet meer steunt, kom je diegene ook niet verdedigen. Dus: hij is er, dus hij steunt haar. Maar als je beter kijkt, zie je dat Schoof hier vooral een suggestie oproept. Hij doet alsof zijn aanwezigheid op zichzelf al voldoende bewijs is. Terwijl dat natuurlijk niet zo hoeft te zijn. Je kunt om allerlei redenen ergens staan. Uit loyaliteit. Uit plichtsgevoel. Omdat je de schade wilt beperken. En laten we niet vergeten dat Schoof in eerste instantie niet aanwezig was bij het debat. De oppositie sprak hier schande van en noemde het “een schoffering” (Stoffer, SGP) en “minachting van het parlement” (Bontenbal, CDA). Kamervoorzitter Bosma heeft Schoof toen persoonlijk gebeld, waarna hij alsnog ten tonele verscheen. Het feit dat iemand ergens aanwezig is, zegt op zichzelf niets over de kwaliteit van het vertrouwen. Het is alsof iemand zegt: “Ik zit in het concertgebouw, dus ik hou van klassieke muziek.” Misschien, maar misschien ook niet. Misschien is hij er vanwege een werkverplichting (zoals premier Schoof zich wellicht verplicht voelde om tóch aanwezig te zijn bij het debat), of omdat hij met iemand mee moest, of omdat hij een vrije avond had en gewoon iets wilde doen.


Schoof ontwijkt met zijn antwoord ook de echte vraag van Koekoek. De vraag was niet: bent u aanwezig? Maar: waarom heeft u nog vertrouwen, ondanks de ophef? In plaats van te onderbouwen waarom Faber zijn vertrouwen verdient, probeert hij via een omweg te suggereren dat de zaak al afgedaan is. Wat Schoof hier doet, kun je retorisch zien als een vorm van strategisch manoeuvreren. In plaats van inhoudelijk uit te leggen waarom hij vertrouwen heeft in Faber, verwijst hij naar zijn eigen gedrag (zijn aanwezigheid) als impliciet bewijs dat hij vertrouwen heeft. Daarmee laat hij een belangrijk deel van zijn argumentatie onuitgesproken. Dat kan retorisch slim zijn: door niet alles expliciet te maken, vermindert hij de kans op directe tegenspraak. Maar het werkt alleen zolang niemand doorvraagt. Zodra, zoals in dit debat, expliciet wordt gevraagd naar de onderbouwing, valt op dat er eigenlijk nauwelijks echte argumenten zijn gegeven. De indruk van vertrouwen is vooral gewekt, niet hard gemaakt.


Maar eerlijk is eerlijk: als Koekkoek blijft doorvragen, schuift Schoof toch een stapje op. Hij zegt dan dat hij Faber op waarde schat, dat ze binnen de kaders van het coalitieakkoord werkt en dat hij haar aanspreekt als dat nodig is. Het is nog steeds voorzichtig geformuleerd, maar het is wel een inhoudelijker antwoord. Niet meteen groots of glashelder, maar wel een poging om iets van regie te laten zien. Hij had het conflict explicieter kunnen erkennen, bijvoorbeeld door te zeggen: “We verschillen op onderdelen van inzicht, maar ik zie in haar functioneren geen aanleiding om het vertrouwen op te zeggen.” Maar het is hoe dan ook relevant dat hij, onder druk, uiteindelijk wel wat meer kleur bekent. Al blijft het allemaal netjes binnen de lijntjes.


Afstand door taal

Die neiging tot ontwijken zien we vaker terug in zijn taalgebruik. Schoof spreekt vaak in passieve zinnen: “Er is contact geweest”, “Het is besproken”, “Er zijn zorgen gedeeld.” Zinnen waarin dingen gebeuren, maar waarin niemand handelt. Daarmee wordt de premier zelf onzichtbaar in zijn eigen communicatie. Waar leiderschap vraagt om positie, om actie, om kaders, kiest Schoof voor omschrijvingen waarin hij zichzelf buiten het handelen plaatst.


Dezelfde afstandelijkheid zit in meer van zijn formuleringen. Hij begint zinnen met “Ik denk dat...”, “Wat ik belangrijk vind om te benoemen is...”, of “Volgens mij zouden we...” Het zijn vormen van zogenaamde ‘twijfeltaal’ die zorgen voor vertraging, die de boel afzwakken, en de inhoud onder een laag voorzichtigheid bedekken. Juist op het moment dat de Kamer vraagt om helderheid en het nodig is om een stelling in te nemen, klinken deze formuleringen van Schoof alsof hij probeert te voorkomen een stevige positie in te nemen. Retorisch gezien: veiligheid boven overtuiging.


Impliciete instemming

Een ander patroon in zijn optreden is de poging om een soort impliciete consensus te creëren. Formuleringen als “Dat begrijpt u toch ook?” of “Daar kunnen we het hopelijk over eens zijn” klinken verbindend, maar hebben een onderliggende druk: wie het hier niet mee eens is, zet zichzelf buiten de redelijkheid. In plaats van het gesprek aan te gaan, probeert Schoof de discussie af te ronden door te doen alsof er eigenlijk geen verschil van mening bestaat en de rest vanzelfsprekend achter zijn uitspraken staat. Maar wanneer de Kamer expliciet om een oordeel vraagt, werkt die strategie eerder frustrerend dan verbindend.


De boezem van het kabinet als rookgordijn

Een veelzeggende formulering die Schoof in het debat meerdere keren gebruikte, was zijn verwijzing naar “de boezem van het kabinet”. Volgens hem had deze kwestie intern opgelost moeten worden, niet via de media. En die frustratie is begrijpelijk. In een kabinet moet onderling vertrouwen bestaan. Als elke spanning naar buiten lekt, valt er weinig meer op vertrouwelijke basis te bespreken. Schoofs pleidooi voor rust is op zichzelf verdedigbaar.


Maar het moment waarop hij dat pleidooi uitspreekt, schuurt. Juist wanneer de Kamer hem vraagt om helderheid en duiding, verwijst hij naar de interne overlegstructuur van het kabinet. Daarmee verschuift de aandacht: het gaat ineens niet meer over het gedrag van de minister, maar over het feit dat die kwestie publiek is geworden. De boezem van het kabinet wordt zo gereframed van een plek van onderling overleg tot een manier om de discussie uit beeld te houden. Alsof het probleem niet het gedrag van een minister is, maar het feit dat dat gedrag zichtbaar is geworden. Terwijl een ruziënd kabinet natuurlijk wel een belangrijk punt is voor de Kamer om te bespreken.


Een strategie met grenzen

Wat we Schoof wel moeten nageven: hij blijft tijdens het debat bijzonder rustig en beheerst. We zien een beleefde premier, die zich niet laat uitlokken tot harde bewoordingen of persoonlijke aanvallen. In een politiek klimaat waarin het debat steeds grimmiger wordt, is dat op zichzelf een kwaliteit. Ook is het begrijpelijk dat hij zich voorzichtig opstelt: hij leidt een coalitie met grote onderlinge verschillen. Elke scherpe formulering kan de boel doen ontsporen en in het allerergste geval leiden tot een val van het kabinet.


Maar verbindende taal werkt alleen als er een duidelijke kern is om aan te verbinden. Zolang er geen inhoudelijk kader wordt geschetst, blijft verbindend taalgebruik leeg. In plaats van conflict te overbruggen, verhult zijn lege en vage taalgebruik het ontbreken van regie, sturing en richting. En precies dat gevoel blijft hangen na zijn optreden: een premier die niet zozeer leidt, maar balanceert. Je merkt aan alles dat hij met zijn uitspraken de rust probeert te bewaren, maar inhoudelijk zegt hij eigenlijk niets dat écht richting geeft.


Op papier neemt hij uiteindelijk wel een positie in: hij vindt niet dat Faber hoeft af te treden, en benadrukt dat maatschappelijke inzet moet worden gewaardeerd, ook via een lintje. Maar ook in die positie blijft hij balanceren. Hij probeert twee tegenstrijdige perspectieven te verbinden zonder het conflict echt te benoemen: zowel steun aan Faber, als erkenning van de maatschappelijke waarden die zij onder druk zette. Daardoor komt zijn boodschap nauwelijks uit de verf. In plaats van richting te geven, blijft het beeld hangen van een premier die vooral bezig is met het bewaren van de rust, niet met het markeren van grenzen.


Passieve politiek

Faber staat er over het algemeen om bekend dat ze uitgesproken is in haar taalgebruik en zich stevig positioneert in het debat. In deze kwestie hield ze zich relatief op de achtergrond, maar haar eerdere uitspraken vormden de context voor de ophef die ontstond. Schoof deed precies het tegenovergestelde. Hij cirkelde om het probleem heen, verwees naar procedures, en hield het zoveel mogelijk op de vlakte. Zijn manier van spreken bood weinig expliciete sturing. Een keuze die wellicht rust moest brengen, maar ook verwarring oproept over zijn positie.


Wat zegt dat over het grotere geheel? Faber staat bekend als een minister die zich stevig uitspreekt en haar beleid ook in symbolische keuzes laat doorwerken. Dat schuurt soms met wat we verwachten van een bewindspersoon, maar het is in ieder geval helder. Schoof heeft als premier de taak het kabinetsbeleid te coördineren en het kabinet als geheel te vertegenwoordigen én aan te sturen. Maar in plaats van richting te geven, blijft hij hangen in procedures en afzwakkende formuleringen en positioneert hij zichzelf vooral aan de randen van het debat. Die manier van spreken komt niet uit de lucht vallen. Het laat precies zien waar deze coalitie mee worstelt: partijen die inhoudelijk ver van elkaar af staan, en die voortdurend zoeken naar manieren om het kabinet tóch bij elkaar te houden. In die context wordt taal geen middel om richting te geven, maar een manier om spanningen te omzeilen. Geen helder kader, geen visie, maar vooral een manier om te voorkomen dat iets escaleert.


En dat hoor je terug. In de verzachters, de passieve constructies, de zoekende zinnen en de neiging om spanningen zoveel mogelijk buiten het politieke debat te houden. Waar sommige premiers een stevige stempel probeerden te drukken, kiest Schoof voor balancerend leiderschap. Begrijpelijk in een coalitie met grote inhoudelijke tegenstellingen, maar retorisch weinig inspirerend. En juist daarom is het relevant om naar die taal te kijken. Want in de manier waarop er gesproken wordt, of juist gezwegen, zie je waar de macht ligt. En waar niet.


Hier kan je het debat zelf teruglezen of terugkijken.

Deel dit artikel:

Andere artikelen

15 september 2026
Als framingspecialist luister ik jaarlijks naar de Troonrede op twee manieren: wat wordt er gezegd en hoe wordt dat geframed? In dit artikel geef ik een duiding: welke belangrijkste frames sprak de Koning uit tijdens de troonrede op Prinsjesdag? Goed om je te realiseren waar de troonrede informeel voor bedoeld is: het eerste voorzetje voor het debat in de Tweede Kamer dat woensdag en donderdag plaatsvindt. De troonrede wordt immers niet geschreven door de Koning, maar door de minister-president, en Jetten wil maar al te graag alvast een paar punten scoren voor de Algemene Politieke Beschouwingen (APB). Het debat over de begroting wordt pittig; er is nog geen meerderheid in zicht. Er staat veel op het spel, en dat voelde je ook in deze troonrede. Frame 1: democratie als samenwerking in plaats van het 'grootste gelijk' Het onderwerp 'democratie' kwam ook bij de vorige verkiezingen al regelmatig bovendrijven. Interessant (en wat mij betreft pijnlijk) is dat er veel met democratie wordt geschermd (en dan vooral de problemen eromheen), maar zelden wordt benoemd wat democratie eigenlijk precies inhoudt. Terwijl er behoorlijk grote tegenstellingen zijn in hoe mensen dit invullen. De Koning framet het door te zeggen wat het niét is: "Daarom is het zo belangrijk het democratiebegrip niet verder te versmallen tot het gelijk van de helft plus één. Democratie moet mensen verenigen, niet uit elkaar spelen." Vaak wordt democratie juist gezien als de wens van de meerderheid. Dit laat zien hoe ingewikkeld het is om hier een alternatief frame voor te bieden, zonder in termen van ontkenning te vervallen. Weer niet gelukt. Waarom begint hij over de betekenis van onze democratie? De alinea erna gaat, zonder expliciete koppeling, over het vertrouwen in de politiek: "De parlementaire democratie is van iedereen, voor iedereen en moet dus dienstbaar zijn aan iedereen." In de zin erna wordt duidelijk wie hij aanspreekt: hij doet een beroep op de oppositie om een 'brede samenwerking' aan te gaan. Oftewel: ga niet dwarsliggen vanuit je eigen gelijk. Dat klinkt redelijk, maar voor de oppositie kan het heel anders overkomen — als: tekenen bij het kruisje, want grote issues liggen al te lang te wachten. De zin ' De toekomst wacht niet op achterblijvers ' voelt daarmee als een dreigement. Frame 2: we worden gegijzeld op ten minste drie onderwerpen Het zijn stevige woorden: " Een onderwerp dat Nederland nu al jarenlang gijzelt, is de stikstofaanpak." Het is een van de drie onderwerpen die de Koning aanhaalt om te laten zien hoe dingen te lang zijn blijven liggen. Hij staat lang stil bij wat het stikstofprobleem voor boeren gaat betekenen: veel. Maar het gaat wel 'duidelijkheid en toekomstperspectief' opleveren. De boeren krijgen geen schuld, maar worden ook niet als slachtoffer geframed: bij hen moet het gaan gebeuren, of ze dat nou leuk vinden of niet. Niet toevallig volgt daarna het onderwerp wonen: plannen voor de lange termijn, maar ook een omfloerste 'pragmatische aanpak' voor de korte termijn. Opvallend abstract en op een hoog taalniveau geframed, waardoor je er ook niet echt op aanslaat. Onderwerp drie is asiel: meer grip, minder polarisatie, en gemeenten die 'solidair' moeten zijn met Ter Apel. Dit hele deel zegt tussen de regels door: samenwerken, verdomme! Met als uitsmijter: " Op deze en andere onderwerpen wil het kabinet stilstand doorbreken en knopen doorhakken, zodat Nederland weer vooruit kan ." Frame 3: is een uitkering een gevangenis? Het lijkt een terloopse bijzin, maar is interessant genoeg om bij stil te staan: "Ook het stelsel van werknemersverzekeringen vraagt onderhoud, om ervoor te zorgen dat mensen mee kunnen blijven doen. Wie ziek wordt of werkloos, moet niet worden opgesloten in een uitkering." Dit is een duidelijk frame uit VVD-hoek, want zij willen de hoogte en duur van zowel de WIA (bij ziekte) als de WW (bij ontslag) verlagen en verkorten. Iets waar linkse partijen en vakbonden fel op tegen zijn en wat al tot protest en stakingen leidde. 'Opgesloten' suggereert dat je er niet uitkomt en dat is een beeld dat rechtse partijen voeden vanuit het idee dat uitkeringen te aantrekkelijk zouden zijn en er geen prikkel is om weer aan het werk te gaan. Het is aan jou om te bepalen of je het daarmee eens bent, maar het aantal mensen dat bewust en tevreden aan de kant zit, is nihil. Je kunt het verkorten van uitkeringen dus ook reframen als: mensen voor de leeuwen gooien. Welk frame past jou als lezer beter? Frame 4: ook de overheid moet beter samenwerken Tegen het einde richt de Koning de aandacht op de overheid zelf, die ook moet werken aan betere samenwerking en vertrouwen: "Kort samengevat: minder regelzucht en controledwang, meer ruimte voor mensen en bedrijven, en een overheid die niet hindert, maar helpt ." Het is een behoorlijk negatieve portrettering van de staat en een frame dat de afgelopen jaren steeds sterker wordt. De overheid als een soort doolhof, waar burger en bedrijf in verdwalen. Het voornemen van het kabinet? Minder regels maken en waar mogelijk vereenvoudigen. Dat betekent in de praktijk ook: minder maatwerk, maar dat blijft impliciet. Ook de ' muren tussen beleid en uitvoering ' moeten neer. Geen leuk frame voor de ambtenaren die met goede bedoelingen hun werk doen en dat vaker wel dan niet voor elkaar krijgen. Meeluistertip: luister naar hoe in de APB 'samenwerken' wordt geframed De toon is gezet. De volgende zin in de afsluiting spreekt ons allen aan, maar vooral de Tweede Kamer: " Want de geest van redelijkheid en elkaar wat gunnen die in deze woorden besloten ligt, lost meer problemen van mensen op dan de voortdurende ophef die nu soms de overhand lijkt te hebben." Het schetst een scherp contrast tussen 'elkaar wat gunnen' en 'ophef veroorzaken'. Maar precies daar tussen zit toch het debat waarbij je argumenten uitwisselt en compromissen zoekt? Ophef gaan we vast krijgen. Het wordt een woordenstrijd de komende dagen, waarbij de inzet grotendeels zal zijn: wie is de dwarsligger en wie doet mee? Dit minderheidskabinet kan zich niet veel verwijten veroorloven, dus de Koning wat vileine steekjes laten uitdelen is best een slimme zet. Benieuwd hoe de oppositiepartijen met de framing van samenwerking zullen omgaan!
1 september 2026
Er werd de afgelopen dagen achter de schermen in Den Haag weer flink geknokt. Niet alleen om de inhoud van de begroting, maar ook om de beeldvorming daaromheen. Minderheidscoalitiepartners VVD, D66 en CDA waren het namelijk niet bepaald met elkaar eens. En dan wordt het vraagstuk ineens tweeledig: wat gaan we doen en hoe wordt deze 'handreiking' geframed in de buitenwereld? Wie wint en wie verliest? Ik analyseer in dit artikel de framingdynamiek. Zonder inhoud kan het alleen over het beeld gaan We weten nog weinig over de inhoud van de afspraken. Dat gaat eerst langs de Raad van State. Voor de media (en voor ons) blijft er dan niets anders over dan doorpraten over hoe de verhoudingen in de coalitie ervoor staan. Dat verdient meteen een kleine time-out, want wie de inleiding van dit artikel herleest, ziet dat ik zelf ook een duit in het zakje doe. Door strijdmetaforen (geknokt, winnaars & verliezers) en door te herhalen dat er sprake zou zijn van een handreiking, geef ik je als lezer een kader mee dat allesbehalve kleurloos is. Taal is nu eenmaal nooit neutraal. Dus laten we kijken hoe de media over dit nieuwsfeit berichten. Omdat het nog niet over de inhoud kan gaan, verschuift de berichtgeving automatisch naar het proces als een soort horse race journalism. Welke frames levert dat op? De afdronk: onderhandelen met pijn, moeite en schijnresultaat Media zijn niet mals. De Volkskrant kopt: 'Coalitie sluit begrotingsakkoord met zichzelf, maar oppositie wacht af'. In de inleiding schrijven ze verder: ' Alle geforceerde opgewektheid voor de tv-camera's kon niet verhelen dat tijdens het overleg op Heinens ministerie de messen op tafel lagen'. De Telegraaf is iets milder: 'Kras op blazoen minderheidskabinet na moeizame Prinsjesdag-deal' , koppen ze. Het AD gebruikt een aardige vergelijking om het proces te duiden: 'Een compleet debacle is afgewend, het is een fotofinish geworden'. Qua framing lijken media behoorlijk eensgezind: het rommelt in het kabinet en daarmee maken ze hun lastige positie alleen maar lastiger. Maar daarmee is de kous nog niet af. Wat alle media er namelijk bij vermelden, is dat dit akkoord er eigenlijk al veel eerder had moeten liggen. Met een minderheidskabinet moet je aankloppen bij de oppositie om je plannen uitgevoerd te krijgen en dat proces had dus sneller kunnen verlopen. Oftewel: een pijnlijke vertraging die de onderhandelingspositie met de oppositie ondermijnt. Hoe framen de hoofdrolspelers het zelf? Wat zet je tegenover deze strijdretoriek? In de reacties van de betrokkenen zie je twee strategieën terug. De eerste is reframen. Dat doen Jetten (D66) en Heinen (VVD). Jetten spreekt van 'een beetje wrijving' . Hij gaat dus deels mee in het beeld van strijd, maar buigt de conclusie om: wrijving geeft juist glans. Oftewel, stevig onderhandelen is goed, zolang je eruit komt. Wel doet hij een mea culpa over hoe dit eruit heeft gezien voor de buitenwereld: 'We gaan nog lessen trekken en kijken hoe het de volgende keer strakker kan'. Eelco Heinen gaat nog een stap verder in zijn reframe: ' Het heeft ons dichter bij elkaar gebracht, omdat je elkaar in die nachten met pittige discussies veel beter leert kennen. Ik denk dat dit het team nog sterker heeft gemaakt'. Het was dus juist goed dat het zo ging, aldus de minister van Financiën. Beide heren kiezen er niet voor om het conflict te ontkennen, maar om het in een nieuw daglicht te plaatsen. De tweede strategie is de aandacht verleggen. CDA-leider Bontenbal legt de focus op het doel van de onderhandelingen: dat was om tot 'een goede handreiking naar de oppositie te komen. Ik denk dat dat gelukt is' . Deze strategie werkt vaak goed, omdat het brein aandacht geeft aan wat op dat moment concreet wordt benoemd. Maar de slimme zet van Bontenbal wordt niet beloond. Terwijl ik dit artikel schrijf, wordt duidelijk dat een deel van de plannen is gelekt. Belangrijke oppositiepartij PRO laat daarover meteen weten: 'totaal niet onder de indruk'. De strijd om het framen van deze begrotingsdeal is nog maar net begonnen. De messen worden geslepen voor de Algemene Beschouwingen volgende week.
16 juni 2026
Het wordt me vaak gevraagd: hoe authentiek ben je nog als je een hele framingstrategie voorbereidt bij een ontwikkeling of rondom een bepaald thema dat je aan het hart gaat? Met name als mensen die strategie in een toespraak of presentatie gaan verwerken, voelt dit als een gevoelige kwestie. Maar is het dat ook? Dat hoeft gelukkig helemaal niet.